Loading: 0%

Gelijk in de dood, ongelijk in het leven. Deze website gaat over verhalen van afro amerikanen die meegeholpen hebben aan de bevrijding van Europa.

Ontdek de verhalen en ervaringen van zowel afro amerikanen als Nederlandse burgers aan het eind van de oorlog.

menu
01. Verhalen: Kind van een zwarte bevrijder

Huub Habets

De moeder van Huub, Tru Hermans, was 24 toen de bevrijdingstijd aanbrak. Ze ging samen met vriendinnen af en toe naar dansavondjes in een mergelgrot. Dat was in Geulhem, in de buurt van het dorp Houthem waar ze met ouders, broers en zussen woonde. Ze was de jongste in een gezin van vijf dochters en drie zonen. Haar vader werkte als seinwachter in het spoorhuisje bij de spoorovergang in het dorp. Daar hingen vaak een aantal jongens rond, onder wie een broer van Tru.

Ze ontmoetten daar regelmatig zwarte Amerikaanse soldaten die in de buurt waren gestationeerd. De feesten in de grot bij de Geulhemermolen werden ook goed door deze soldaten bezocht. In de ‘officiële’ dansgelegenheden en op bevrijdingsfeesten waren ze niet welkom. Die waren alleen voor de witte GI’s. Tru zal de soldaat van wie ze later zwanger bleek via haar broer hebben leren kennen. Dat dacht een oom van Huub althans, niet lang voordat die overleed. Later bleek ook een nichtje van Tru zwanger te zijn van een zwarte Amerikaanse soldaat. In de familie werd niet gepraat over wat er was gebeurd.

In de tijd dat Tru bevriend raakte met de verwekker van Huub, had ze al min of meer verkering met Louis Habets. Toen Tru vier maanden zwanger was, op 11 mei 1945, trouwde ze met Louis. Zijn stiefvader moet er volgens Huub van geweten hebben dat zijn meisje in verwachting was toen ze trouwden. En dat de baby niet van hem was.

Bij zijn geboorte kreeg Huub de namen Pieter Hubertus, naar Louis’ vader. De traditie was destijds dat de oudste zoon de naam van de vader van de vader kreeg. Het oudste meisje kreeg de naam van de moeder van de moeder. Op 11 oktober 1945, de dag na Huubs geboorte, deed Habets aangifte in de gemeente Valkenburg aan de Geul. Huub werd bijgeschreven in het trouwboekje en daarmee had hij een wettelijke vader.

‘Als kind’, zei Huub later, ‘wilde ik nooit in de zon, want ik wilde niet nog bruiner worden.’

In de uitgebreide familie van zowel moeders- als stiefvaderskant was iedereen dol op kleine Huub. Toen Huub meewerkte aan het oral history-project ‘Kinderen van zwarte bevrijders’, was er jammer genoeg niemand meer in leven om navraag te doen over de schok die de zwangerschap van Tru en de geboorte van haar kind ongetwijfeld teweeg had gebracht. Een herinnering van Huub was wel betekenisvol.
Hij zag zijn oma van moeders kant niet anders voor zich dan zittend op een rechte stoel in de woonkeuken, een knotje op het hoofd en helemaal in het zwart. Zijn halfbroer Louis vertelde hem eens dat ze vanaf het moment dat ze hoorde over de zwangerschap van Tru alleen nog maar zwarte kleren droeg. ‘Dat zal vanwege de schande zijn geweest’ denkt Huub.

In zijn tienertijd confronteerde Huub zijn moeder een keer met vragen over zijn biologische vader, maar moeder Tru doorbrak het taboe niet. Een jaar na Huub is broertje Louis geboren. Een tweede broer, Wiel, volgde in 1949.

Huub heeft bijna zijn hele leven gezwegen over zijn jeugd, die bepaald werd door zijn afwijkend uiterlijk. ‘Als kind’, zei Huub later, ‘wilde ik nooit in de zon, want ik wilde niet nog bruiner worden.’ Hij zweeg ook over alle vragen die door zijn hoofd speelden over zijn onbekende biologische vader. Al vroeg was hem duidelijk, dat Habets niet zijn echte vader was.

Huubs tweede vrouw Evelyn reageerde in 2015 op het artikel in Dagblad De Limburger over Ed Moody en Huub Schepers. Ze vertelde dat ze er lang bij haar man op heeft aangedrongen op zoek te gaan naar zijn biologische vader.

Uiteindelijk was Huub blij met het oral history-project te hebben meegedaan. Hij was iets meer aan de weet gekomen over de zwarte soldaten van destijds en hij was ook blij dat hij contact had gekregen met lotgenoten. Eindelijk was er ook aandacht voor de zwarte Amerikaanse bevrijders, waarvan zijn vader er een was. ‘Het is alleen een beetje laat’, zei Huub.

Die is toch niet van jou?

Huub’s respect voor zijn stiefvader Louis is groot, zeker na de verhalen van een vroegere buurman met wie zijn vader dagelijks per bus naar de mijn reed.

De ‘kletsende’ mijnwerkers op de bus maakten grapjes, opmerkingen, over Habets’ onechte kind. De buurman was het op een dag zat en vroeg hun daarover op te houden. Daarmee was het pesten voorbij. Er waren meer dingen die zijn vader te verduren heeft gehad. Huub herinnerde zich dat ze een keer met het gezin op een kermis waren. Zijn halfbroer Louis en hij waren een jaar of vijf, zes en droegen dezelfde kleren, door hun moeder gemaakt. Een man vroeg Habets: ‘Is die ook van jou?’, wijzend op Huub. Een andere keer hoorde Huub een kennis van zijn vader vragen: ‘Die is toch niet van jou?’ Huub wist niet goed waarom mensen dat vroegen, maar het zette hem aan het denken. Toen hij zijn ouders er later naar durfde te vragen, wilden ze niets kwijt, behalve ‘Je hebt het toch goed bij ons?’ En dat was ook zo.

Op zijn zestiende verjaardag nam zijn stiefvader hem mee naar de fietsenwinkel in het dorp. Hij kreeg als verrassing een splinternieuwe brommer, een Batavus 1961. De meeste van zijn vriendjes, net als hij uit mijnwerkersgezinnen, reden op tweedehandsjes. Hij realiseerde zich maar al te goed dat er lang voor gespaard was, want mijnwerkers hadden het niet breed in die tijd. Er was maar één jongen die ook een nieuwe brommer had, de zoon van een rijke boer.

Brommer Huub Habets
Brommer van Huub Habets
Kijk daar, een neger die plat praat, hoe kan dat?

Huub is ervan overtuigd dat zijn stiefvader aardiger voor hem was dan voor zijn eigen zoons. Na een avond stappen met Louis jr. kwamen ze te laat thuis. Zijn broer kreeg een schop onder de kont, maar Huub niet. ‘Wellicht’, zo vroeg hij zich af, ‘omdat mijn moeder hem nadrukkelijk gewaarschuwd had mij niet aan te raken. Wie zal het zeggen?’ Huub was in die tijd erg terughoudend. Hij mengde zich niet makkelijk onder de andere jeugd vanwege zijn huidskleur en zijn kroeshaar. Hij stond altijd achteraan, bang om op te vallen. Als ze naar een optreden van De Quinto’s gingen, dacht hij dat meisjes hem niet zagen staan. ‘Maar’, zei hij later, ‘dat heb ik ze natuurlijk nooit gevraagd. Dat zat in mijn hoofd.’ Het was volgens hem schaamte, of angst voor afwijzing. Hij wist als tiener echt niet of andere jongeren hem op zijn uiterlijk beoordeelden. Het moeilijkst vond hij het in de tijd dat iedereen een vetkuif had, net als Elvis Presley. Zo’n kapsel kreeg hij niet voor elkaar. Als hij met vrienden op stap was ging hij zoveel mogelijk als laatste een café binnen. Zijn vrienden beschermden hem altijd wanneer er opmerkingen over zijn uiterlijk werden gemaakt. Op een dag hoorde hij een paar mannen in een café verbaasd in het Limburgs zeggen, hard genoeg zodat hij het kon verstaan: ‘Kijk daar, een neger die plat praat, hoe kan dat?’ Huub kon zich niet bedwingen en sloeg erop los.

Diequintos

In zijn jeugd kende hij in heel Valkenburg maar een ander niet-wit bevrijdingskind, Els Geijselaers. Ze spraken elkaar nooit tijdens hun schooljaren. En dan was er natuurlijk zijn tante in Maastricht die ook een kind van een zwarte bevrijder had gekregen. Maar met haar had hij geen contact.

Huub excelleerde op sportdagen. Bij het hoogspringen en bij hardloop- wedstrijden won hij prijzen. Zijn atletische bouw had hij, zo vermoedde hij, te danken aan zijn afkomst. Hij wilde graag sporten bij de vereniging Kimbria, een sportclub voor rijkere kinderen, maar voor hem als mijnwerkerszoon was dat niet te betalen. Een aardige onderwijzer op de lagere school, Jan Notten, was een vriend van zijn ouders. Door hem lukte dat toch. Notten zorgde ook voor sportkleding, dezelfde als de andere Kimbria-leden droegen. Toen Huub in 1957 meedeed aan een wedstrijddag, had hij alleen gewone, witte katoenen gympen. Dat zag er niet uit, vond hij. Maar Huub was creatief. Hij kon goed tekenen en beschilderde de witte gympen in mooie kleuren en patronen. Jammer voor hem dat het die dag regende, vertelde hij later lachend: ‘Na afloop van de wedstrijden zag ik dat de verf doorgelopen was.’

Huub wilde graag naar de kunstacademie, maar dat was te duur. Het werd de L.T.S. en de Ambachtsschool. Hij werd machinebankwerker. Naast de zes dagen die hij werkte, volgde hij drie keer per week een avondschool in Heerlen, twee jaar lang. Na wat eerste baantjes werkte hij veertig jaar bij het bedrijf Imtech als werkvoorbereider.

Ruim veertig jaar geleden trouwde Huub met Evelyn. Samen kregen ze een zoon. Uit een eerder huwelijk heeft hij een zoon en een dochter. Toen zijn ‘pap’ al oud was en moeder niet meer aanspreekbaar, vroeg Huub hem nog eens om te vertellen wat hij wist van de bevrijdingstijd en alles wat er toen gebeurd moet zijn. Habets werd erg stil. ‘Waarschijnlijk kon hij er niet over praten’, dacht Huub. ‘Ik wilde hem dat eigenlijk ook besparen.’ Een week later, toen Huub hem weer bezoekt, onthaalde pap hem extra hartelijk. Over het verleden zwegen ze.

In de jaren zestig ontmoette Huub Els Geijselaers een paar keer. Samen gingen ze op een dag naar een bijeenkomst van de Vereniging Bevrijdingskinderen in Nijmegen. Dat deed hem goed. Maar verder kon hij nooit met iemand over zijn achtergrond praten. Gertruda Habets-Hermans overleed op 5 november 2012 op 91-jarige leeftijd, na een periode van dementie.

Huub woonde eind 2015 de eerste bijeenkomst bij van zijn lotgenoten. Op 18 januari 2016 was hij aanwezig bij de afscheidsdienst van Huub Schepers. Hij is een van de ‘Kinderen van zwarte bevrijders’ in de documentaire ‘Zwarte Limburgers’.