Loading: 0%

Gelijk in de dood, ongelijk in het leven. Deze website gaat over verhalen van afro amerikanen die meegeholpen hebben aan de bevrijding van Europa.

Ontdek de verhalen en ervaringen van zowel afro amerikanen als Nederlandse burgers aan het eind van de oorlog.

menu
01. Verhalen: Kind van een zwarte bevrijder

Robert Joosten

De neger met de zachte G

Annie vermoedde dat niet haar echtgenoot, Jack Joosten, de vader was van het kind dat ze verwachtte, maar wist dat pas zeker op het moment dat ze haar zoontje zag. ‘In elk geval’, zei haar zoon Robert (2 oktober 1945) jaren later, lachend, ‘was meteen duidelijk dat ik niet van de melkboer was.’ Wie de vader was van het kind dat Annie Joosten in oktober 1945 ter wereld bracht, is altijd onbekend gebleven. Toch erkende Jack het kind als zijn zoon.

Robert is de enige van de twaalf ‘kinderen van zwarte bevrijders’ uit het gelijknamige boek die naar de Randstad trok. Op zijn zeventiende verliet hij Limburg en na wat omzwervingen in de verpleging, op de dansacademie in Rotterdam en bij het Scapinoballet, werd hij uiteindelijk souffleur bij Toneelgroep Amsterdam. ‘Dat vak paste wel bij me, zo’n rol op de achtergrond’, zei hij daar later over. Weinig mensen uit zijn omgeving wisten van zijn afkomst. Adèle Bloemendaal, bij wie hij langere tijd in huis woonde, noemde hem ‘de neger met de zachte G’.

Na jaren van angst en beperkingen was het vanaf eind 1944 in Nieuwenhagerheide, het dorp in de Mijnstreek waar Annie woonde, een komen en gaan van Amerikaanse militairen. Annie was een buitenbeentje in het dorp, wellicht omdat ze was opgegroeid in een stad. Haar vader werkte eerder bij Philips in Eindhoven. Ze had vier broers en zussen. In 1940 trouwde ze met Jack, die stapel was op haar. Hij werkte als constructiebankwerker, maar werd in de oorlog opgeroepen voor militaire dienst en was veel weg. Volgens Robert was Annie in die tijd nogal losbandig. Ze nam volop deel aan de bevrijdingsfeesten, net als iedereen in het dorp.

De witte G.I.’s organiseerden party’s in een keet aan de rand van het dorp. Een ooggetuige uit die tijd vertelde later dat hij als jonge jongen zag hoe er af en toe gebruikte ‘Pariezer’, condooms, uit het raam van de keet werden gegooid. De kinderen speelden ermee, denkend dat het ballonnetjes waren. Voorbehoedsmiddelen waren in het katholieke zuiden in die tijd nagenoeg onbekend en door de Rooms-Katholieke kerk waren ze zelfs ten strengste verboden.

Waar de zwarte Amerikaanse militairen Annie en haar vriendinnen ontmoetten, is niet bekend. In elk geval had de zwarte soldaat waar Annie een tijdje mee moet hebben opgetrokken, duidelijk geen ‘Pariezer’ of ‘French letter’ gebruikt toen hij met haar vree. Anders zou Robert er nu niet zijn. En dan zou Annie ook geen soa hebben opgelopen, een virus dat ze overdroeg op Robert. Zijn rechteroog is daardoor vanaf zijn geboorte licht beschadigd.

Hoe dol Jack ook op Annie was, hun huwelijk was volgens Robert vreselijk. ‘Iets uitpraten was in die tijd kennelijk geen optie. Hij sloeg haar vaak.‘ 'Het gebeurde regelmatig dat mijn moeder in elkaar geslagen en mishandeld werd, maar van mij bleef hij af’ zei Robert. Na tien jaar kregen Jack en Annie een dochter. Op oude leeftijd vertelde Annie haar zoon hoe ongelukkig ze was geweest in het huwelijk en dat ze jarenlang had geprobeerd om te scheiden. Jack hield dat tegen tot haar 65ste. Annie overleed ruim twee jaar daarna, in 1992.

Jos Sporken uit Breda vroeg zich in 2015 af waar Robbie was gebleven. Hij haalde foto’s tevoorschijn uit de tijd dat hij lid was van de welpenvereniging St. Tarcisius. Daarop staat een donker, blij lachend jongetje. Sporken was gegrepen door het verhaal dat Rob Gollin in de Volkskrant schreef over Huub Schepers. Hij wist nog de naam van het donkere jongetje op de foto: Robbie Joosten. Hij was benieuwd hoe het met Robbie ging en zocht contact met hem. Aanvankelijk lukte dat niet. De naam Robbie Joosten was eerder al eens gevallen, toen Petra werd geïnterviewd voor het oral history project. Zij zat bij hem op de kleuterschool en was net als hij een zwart kindje. Ze herinnerde zich dat Robbies moeder een keer tegen hen zei: ‘Jullie moeten later maar met elkaar trouwen.’ Petra en Rob Sporken wisten allebei niet waar de Robbie uit hun jeugd was gebleven.

In januari 2016 schreef Paul van der Steen in de NRC een mooi in memoriam over Huub Schepers. Nadat Robert dat las, benaderde hij de NRC-redactie. Zo kwam het contact tot stand met het oral history-project ‘Kinderen van zwarte bevrijders’. Robert nam ook contact op met Sporken.

Robert woont in Amsterdam. In een eerste gesprek vertelde hij zeer openhartig over zijn jeugd, over zijn leven als zwarte jongen in Limburg. Hij zei nauwelijks last te hebben gehad van pesten. In zijn moeders familie was iedereen dol op hem en een tante was in zijn herinnering als een tweede moeder voor hem geweest. Opmerkingen over zijn huidskleur en zijn kroeshaar herinnerde hij zich nauwelijks. ‘Och ja, ik werd weleens uitgescholden, maar daar had ik geen last van.’
Het is duidelijk dat zijn vroege jeugd was getekend door de mishandelingen die zijn moeder onderging. Hij ontwikkelde een grote waakzaamheid en was er steeds op bedacht dat zijn moeder klappen kon krijgen van haar man. Zelf werd hij niet fysiek mishandeld. Als jongetje heeft hij een aantal keren de politie gewaarschuwd als er thuis klappen vielen. Op zijn twaalfde klom hij zelfs een keer in zijn pyjama uit het raam toen de ruzie beneden te heftig werd. Hij rende naar het politiebureau om hulp te vragen. Een agent ging met hem mee naar huis, waar Robbie nog net zag hoe zijn stiefvader een stoel op moeder Annie stuk sloeg. Een grote scheldpartij aan zijn adres volgde, omdat hij er weer eens de politie bij had gehaald. Robert: ‘Toch is Jack altijd aardig voor me geweest en mijn mamma was trots op haar donkere kind.’ Terugkijkend op zijn jeugd vond hij dat hij er vaak alleen voor stond. Een duwtje in de goede richting van zijn ouders heeft hij wel gemist.

In Amsterdam bouwde Robert al snel een aardige vriendenkring op, voornamelijk met mensen uit de theaterwereld. Hij woonde lange tijd in huis bij Adèle Bloemendaal, die samen met Wim Sonneveld en Henk van Ulsen heel bepalend geweest zijn in zijn leven. Voor mevrouw Bloemendaal was hij familie. Robert was haar mantelzorger tot haar dood in januari 2017.

Robert werkt nog steeds af en toe als repetitor bij Toneelgroep Amsterdam. Hij is getrouwd met artdirector Harry Vermeulen, met wie hij al veertig jaar erg gelukkig is. Met zijn zus en haar partner is het contact altijd goed geweest.